Jeugd-DBC met client woonachtig in niet-gecontracteerde gemeente (N1507)

Uit normenkaderzorg.nl
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Referentienummer: N1507

Samenvatting

Een jeugd-DBC met een client woonachtig in niet-gecontracteerde gemeente mag niet gedeclareerd worden. 
De verantwoordelijke gemeente is in beginsel de gemeente waar de ouder met gezag woont. Deze gemeente is verantwoordelijk voor het declareren van een jeugd-DBC.

Regelgeving / beleid

In de Jeugdwet speelt de woonplaats van de gezagsdrager een zeer belangrijke rol. De verantwoordelijke gemeente is in beginsel de gemeente waar de ouder met gezag woont. Als een jeugdige en zijn of haar ouders hulp nodig hebben, wordt eerst bekeken waar het gezag ligt. Daarna wordt vastgesteld wat het adres is. Zo wordt duidelijk welke gemeente verantwoordelijk is voor de desbetreffende jeugdige.

Bij een verhuizing, een wijziging in het gezag of als de jeugdige meerderjarig wordt, verandert de situatie. Voor de nieuwe situatie moet opnieuw met behulp van het stappenplan worden bepaald welke gemeente op dat moment de verantwoordelijke gemeente is (bron: factsheet woonplaatsbeginsel; VNG).

1) Verhuizing
Een wijziging van de inschrijving in de BRP betekent de start van overleg tussen gemeente die verantwoordelijk was en de gemeente die verantwoordelijk wordt. Dit overleg is gericht op de feitelijke overdracht.

2) Hulp bij acute situaties
Bij acute situaties wordt direct jeugdhulp aan de jeugdige geleverd of een kinderbeschermingsmaatregel uitgesproken. De gemeente die de acute hulp levert, stelt via het stappenplan vast welke gemeente formeel verantwoordelijk is. De kosten van alle geleverde acute hulp zijn immers voor rekening van die gemeente. Wanneer de Jeugdwet niet van toepassing is, is er geen gemeente direct verantwoordelijk voor de desbetreffende jeugdige. Gemeenten die kosten voor jeugdhulp hebben gemaakt moeten in die uitzonderlijke gevallen de kosten verhalen op de reisverzekering, de desbetreffende buitenlandse verzekeraar of via de gezagsdrager van de jeugdige.

3) Overgangsrecht in 2015
Met betrekking tot het overgangsrecht geldt de situatie zoals deze op 31 december 2014 bekend is. Waar in het stappenplan het moment van de hulpvraag staat, geldt ten aanzien van het overgangsrecht de situatie op 31 december 2014. Een jeugdige heeft recht op (jeugd)hulp tot het moment waarop een indicatie of verwijzing of strafrechtelijke beslissing eindigt, tot maximaal het einde van 2015. Bij langdurige pleegzorg geldt het overgangsrecht tot het moment dat de jeugdige 18 jaar wordt

4) Gescheiden ouders in verschillende gemeenten
Als ouders na een echtscheiding in verschillende gemeenten wonen en de jeugdige bij beide ouders woont, moet er een hoofdverblijf worden aangewezen. De rechter kan bij de scheidingsuitspraak het hoofdverblijf bepalen. Als het hoofdverblijf niet door de rechter is bepaald, geven de ouders aan wat het hoofdverblijf van de jeugdige is. Kunnen of willen de ouders dit niet aangeven dan gaan de twee desbetreffende gemeenten met elkaar in overleg. Daarbij hanteren zij het criterium: de verantwoordelijke gemeente is die gemeente waar de jeugdhulp in het belang van de jeugdige binnen zijn sociale netwerk (school, sport en vriendenkring) georganiseerd kan worden. 

5) Voorlopige voogdij
De kinderrechter kan om verschillende redenen een voorlopige voogdij uitspreken. Uitgangspunt is de situatie die gold voordat sprake was van voorlopige voogdij. De gemeente waar de ouder die het gezag had woont is verantwoordelijk. Als die ouder tijdens de duur van de situatie van voorlopige voogdij verhuist, wordt de gemeente waar deze ouder naar toe gaat verantwoordelijk.

6) Tijdelijke voogdij
Bij de situatie van tijdelijke voogdij is er tijdelijk in de voogdij voorzien. De verblijfplaats van de jeugdige is in deze situaties bepalend.

7) Instellingsvoogdij
Als de voogdij door een gecertificeerde instelling wordt uitgeoefend is het werkelijke verblijf van de jeugdige bepalend. Als de jeugdige in een residentiële instelling woont, geldt niet het adres van de hoofdvestiging van de jeugdhulpaanbieder maar het werkelijke verblijf van een jeugdige bij de nevenvestiging. 

8) Meerderjarige jeugdige
Als een jeugdige 18 jaar wordt, is er geen gezagsrelatie meer. Daarom wordt in dat geval uitgegaan van het adres van de jeugdige.

9) Woonplaats van gezagsdrager(s) onbekend of in het buitenland
Als de woonplaats van de gezagsdrager(s) onbekend is, geldt het werkelijk verblijf van de jeugdige op het moment van de hulpvraag. Als de gezagsdrager(s) in het buitenland wonen en de jeugdige in Nederland verblijft, geldt het werkelijk verblijf van de jeugdige. Er is dus altijd een gemeente verantwoordelijk.

10) Woonplaats gezagsdrager en jeugdige in buitenland
Als ouders en jeugdige in het buitenland wonen, is er geen recht op jeugdhulp. Gemeenten hoeven dan geen jeugdhulp te leveren.

11) Woonplaats gezagsdrager in Nederland en jeugdige in buitenland
De gemeente waar de gezagsdrager woont is verantwoordelijk.

Interpretaties

  • Een DBC is een Jeugd DBC als de client op de startdatum van de DBC jonger is dan achttien jaar, of als sprake is van een DBC met het zorgtype jeugdstrafrecht (zorgtype 117 en 212).

Programmeerbare norm

Er is sprake van  “Jeugd-DBC met client woonachtig in niet-gecontracteerde gemeente (N1507)” als aan de volgende selectie is voldaan: 


1) Alle jeugd-DBC's

 

2) Er is sprake van een verhuizing, een wijziging in het gezag of als de jeugdige meerderjarig wordt

 

3) Er is sprake van een jeugd DBC met client woonachtig in een niet-gecontracteerde gemeente




Logica: 1 en 2 en 3 

Berekening financiële impact